Laten we bij het begin beginnen. Wat is het financiële systeem eigenlijk en welke doelen dient het?
Ernst: “Het financiële systeem maakt in feite alle markten en economieën in de wereld mogelijk en faciliteert die op verschillende manieren. We onderscheiden over het algemeen drie hoofdfuncties. Ten eerste maakt het financiële systeem betalingen mogelijk. Vroeger overhandigden we elkaar munt- en briefgeld om betalingen te doen. Tegenwoordig doen we betalingen vooral via digitale infrastructuren. Het financiële systeem ontwikkelt en beheert die infrastructuur.
De tweede belangrijke functie die het financiële systeem vervult, is risicomanagement. Het ondervangt financiële risico’s. Als jij een huis of auto koopt, dan hoort daar een verzekering bij. Dankzij die verzekering ben je beschermd tegen grote financiële schade. Zónder die bescherming zouden veel dingen, zoals het kopen van een woning, helemaal niet mogelijk zijn. De financiële risico’s die bij het kopen en bezitten van een woning horen, zouden voor het gros van de mensen veel te groot zijn.
Ten derde (en dit is misschien wel de belangrijkste functie) mobiliseert het financiële systeem kapitaal, door leningen te verstrekken aan mensen en bedrijven en investeringen te doen. Dit zorgt ervoor dat zij bepaalde dingen kunnen doen, zonder dat zij op voorhand het benodigde kapitaal daarvoor hebben. Denk aan het starten van een onderneming of het openen van een nieuwe fabriek. Het financiële systeem stimuleert en faciliteert op deze manier dus economische activiteit.
Omdat financiële instellingen in verregaande mate bepalen waar geld wel en niet naartoe stroomt, hebben zij veel invloed op de economie van morgen.”
Het financiële systeem moet op de schop, stellen wij. Wat schort er momenteel aan?
Ernst: “Wij vinden dat het financiële systeem de maatschappij hoort te dienen. Dat doet het nu maar deels. Vroeger was het veel normaler dat het financieel systeem de reële economie (waar mensen goederen en diensten maken en uitwisselen, red.) diende. Na de Tweede Wereldoorlog werd er in veel landen heel goed nagedacht over vragen als: hoe moet de economie van morgen eruitzien? Wat vinden wij daarin belangrijk? Of met andere woorden: welke publieke doelen moeten gediend worden met privaat geld? Daar stuurde overheden vervolgens ook actief op aan bij banken, op allerlei manieren. Om een voorbeeld te geven: Frankrijk beschikt over een behoorlijk goed spoorwegennetwerk. Dat komt deels omdat de Franse overheid eiste dat Franse banken daaraan bijdroegen, bijvoorbeeld door leningen te verschaffen voor de aanleg ervan.
In de jaren tachtig zijn we hier eigenlijk massaal mee gestopt. Vanuit het neoliberalisme ontstond het idee dat het juist beter was om de financiële sector vrij te laten. Het oorspronkelijke doel van het financiële systeem, het dienen van de maatschappij, verdween daardoor naar de achtergrond. Tegenwoordig focussen financiële instellingen zich vooral op twee dingen bij de investeringen die ze doen: risico en rendement. Dus: hoe groot is de kans dat ik mijn investering terugkrijg? En hoeveel kan ik ermee verdienen?
Begrijp me niet verkeerd: er zijn wel degelijk investeringen waarmee je geld kan verdienen én positieve impact kan maken. Zonnepanelen zijn daar een goed voorbeeld van, die verdienen zichzelf als het ware terug. Maar er zijn ook dingen die we héél hard nodig hebben voor een toekomstbestendige samenleving, die risicovoller zijn en/of iets minder rendement opleveren. Denk aan natuurinclusieve landbouw, betaalbare woningen of creatieve broedplaatsen. Die leveren de maatschappij ontzettend veel op, maar zijn in financieel opzicht misschien minder interessant. Daarom laat het huidige financiële systeem ze momenteel links liggen. Daarnaast zijn er dingen waar je wel geld mee kan verdienen, maar die ondertussen ecologische of sociale schade aanrichten. Denk aan het oppompen van fossiele brandstoffen. Ondanks die schade financiert het financieel systeem dit soort dingen nog gewoon. Dat moet anders.”
Welke veranderingen zijn nodig om daarvoor te zorgen?
Ernst: “Van alles, haha. Maar drie veranderingen staan bovenaan ons verlanglijstje. Ten eerste vinden we dat banken meer risico’s moeten nemen. Zoals gezegd: banken hebben de kracht om gericht economische activiteit te stimuleren. Wij vinden dat ze die rol meer en vaker moeten pakken, ook als daar iets meer risico en iets minder winstgevendheid tegenover staat. Regelgevers kunnen hierbij helpen, door de regels zo af te stellen dat banken voldoende buffers hebben om wat meer risico te nemen.
Maar we zien momenteel juist een tegenovergestelde trend: banken nemen steeds mínder risico. Ze verstrekken bijvoorbeeld meer en meer hypotheken, wat minder risicovol is, terwijl mkb’ers steeds meer moeite hebben om een lening te krijgen. Maar het zijn juist deze bedrijven die de economie van morgen vormgeven, die de noodzakelijke transities – bijvoorbeeld naar een duurzaam voedselsysteem, een fossielvrij energiesysteem, of een gelijkwaardigere samenleving - mogelijk maken.
Ten tweede vinden we dat publieke actoren (zoals overheden, red.) zich meer moeten bemoeien met kapitaalsturing, dus waar privaat geld naartoe vloeit. Momenteel hebben financiële instellingen wat dat betreft veel vrijheid en macht. Toezichthouders controleren op fatsoenlijk risicobeheer, maar verder mogen banken en andere financiële instellingen eigenlijk doen wat ze willen. Dat vinden wij scheef, want uiteindelijk merken we de impact van die financieringsbeslissingen allemaal. Het gaat dus om private macht over publieke belangen.
Die disbalans (tussen publieke belangen en private macht, red.) moet wat ons betreft anders. Publieke actoren mogen daarin best wat nadrukkelijker aanwezig zijn (zoals dat in het verleden ook het geval was). Zij kunnen er op die manier voor zorgen dat privaat geld vaker en meer wordt ingezet om maatschappelijke doelen te dienen. Dat kan op allerlei manieren. Als we bijvoorbeeld vinden dat we van fossiele energie af moeten, dan kunnen overheden een hard financieringslimiet opleggen aan financiële instellingen. Maar het kan ook subtieler: centrale banken kunnen bijvoorbeeld een rentekorting afgeven aan banken die een lening voor duurzame energie als onderpand inbrengen
De stok en de wortel dus…
Ernst: “Precies. En voor de duidelijkheid: het moet echt niet zo zijn dat overheden alles in detail gaan bepalen. Maar dat financiële instellingen publieke belangen dienen, moet wel op de één of andere manier worden geborgd. Gelukkig hoeft het wiel wat dat betreft niet opnieuw uitgevonden te worden. Er zijn talloze voorbeelden uit het verleden om uit te putten en landen als India stellen ook vandaag nog eisen aan private banken. Priority sector lending noemen ze dat daar.
Ook in Europa gebeurt er genoeg. De Europese Centrale Bank en Europese Commissie zijn de afgelopen jaren hard bezig geweest met het verankeren van eisen voor duurzaamheidsrapportage in wet- en regelgeving voor de financiële sector. De Sustainable Finance Disclosure Regulation en de EU Taxonomy zijn daar goede voorbeelden van. Stappen in de goede richting, maar wat ons betreft nog niet voldoende. Want met alleen transparantie over wat er gebeurt, verschuiven kapitaalsstromen nog niet per se. Helaas hebben we vorig jaar ook behoorlijk wat verzet gezien tegen deze rapportagewetten, resulterend in een afzwakkingin plaats van een extra stap vooruit. Het zijn wat dat betreft spannende tijden.”
Wat is de derde belangrijke verandering waar we voor pleiten?
Ernst: “Dat is de invoering van de digitale euro. Ofwel een digitale variant van publiek geld, ofwel geld dat wordt uitgegeven door de centrale bank. Nu gebruiken we eigenlijk vooral bankgeld om onze betalingen te doen. Dat functioneert prima, want we hebben met z’n allen het vertrouwen dat bankgeld volwaardig geld is. Maar in feite is bankgeld een belofte van je bank, dat zij je cash geven als jij daarom vraagt. Bij publiek geld, uitgegeven door de overheid, weet je te allen tijde dat het geldig is als geld. Dat is wettelijk vastgelegd.
Publiek geld is al jaren langzaamaan van het toneel aan het verdwijnen, omdat we steeds meer gebruik zijn gaan maken van digitale betaalsystemen. En een digitale variant van publiek geld bestaat (nog) niet. Daar pleiten wij voor. Dat is belangrijk om drie redenen. Voor burgers biedt het keuze. Een digitale euro zorgt ervoor dat je als burger de keuze hebt om jouw geld bij een bank of een overheid te stallen. Het zorgt er ook voor dat overheden (een deel van) de macht terugkrijgen over onze betalingssystemen, wat bijdraagt aan weerbaarheid op twee manieren. Momenteel faciliteren twee Amerikaanse bedrijven de betaalsystemen tussen alle Europese banken en burgers. Dat is, zeker gezien de huidige geopolitieke spanningen, een kwetsbaarheid.
Ten derde is dit een stapje om de machtsbalans tussen overheden en commerciële banken wat gelijker te trekken. Sinds we met zijn allen steeds meer digitaal geld gebruiken, zijn we nog afhankelijker geworden van stabiele banken, en dat geeft banken een bepaalde macht. Met de digitale euro zou er weer een alternatief zijn voor je geld bij een bank stallen, en zijn we als maatschappij dus ook iets minder afhankelijk van banken.”
Het klinkt als een enorme opgave om bovenstaande veranderingen daadwerkelijk te realiseren. Is het wel realistisch?
Ernst: “Het klopt dat we het financiële systeem niet van de ene op de andere dag kunnen veranderen. Een eventuele invoering van de digitale euro laat bijvoorbeeld nog jaren op zich wachten. Dat is het lastige aan een visiedocument als dit. We schetsen een ideaalbeeld, een stip op de horizon, waar we vinden dat het financiële systeem naartoe zou moeten groeien. Dat is inderdaad echt werk van de lange adem en zal ongetwijfeld niet zonder slag of stoot gaan.
Maar dat is geen reden om zo’n toekomstbeeld niet te schetsen. Verandering begint bij een duidelijke visie. En we hoeven gelukkig niet vanaf nul te beginnen. Zoals eerder gezegd, er gebeurt in Europa al heel veel op het gebied van duurzaamheidswetgeving. Publieke kapitaalsturing kan een mooie en logische volgende stap zijn. Ook over de invoering van de digitale euro wordt momenteel druk gediscussieerd. EU-landen kwamen eind vorig jaar tot een voorlopig akkoord over de invoering van de digitale euro. Momenteel wordt gediscussieerd over hoe dan precies.
Wat me in ieder geval hoopvol stemt: iedereen is het er tegenwoordig over eens dat verandering nodig is. Of het nu gaat om de gevolgen van klimaatverandering of de geopolitieke spanningen in de wereld, er moet iets gebeuren. Dat besef wordt breed gedragen, aan welke kant van het politieke spectrum je ook staat. Dat maakt de kans dat er ook daadwerkelijk iets zál veranderen heel hoog. Als alles stabiel is, is het best lastig om grootschalige duurzaamheidstransities te verkopen. Maar als dingen beginnen te schuiven, worden ingrijpende veranderingen serieus overwogen. Die urgentie is er nu. In die zin komt onze visie net op tijd.”

Bedankt voor je reactie!
Bevestig je reactie door op de link in je e-mail te klikken.