Dit opiniestuk verscheen oorspronkelijk in het Financieele Dagblad van 19 augustus 2026.

“Grote Europese banken rapporteren hoeveel van hun financiering groen is volgens de EU-taxonomie: de zogeheten green asset ratio. Voor de andere kant van de balans is er geen vergelijkbare maatstaf. We weten dus wél hoeveel financiering als groen geldt, maar niet hoeveel geld naar aantoonbaar schadelijke activiteiten stroomt. Laat staan hoeveel daarvan echt wordt afgebouwd.

Sinds Luca Pacioli in 1494 het dubbel boekhouden beschreef, weet elke financieel professional dat een boeking twee kanten heeft. Zonder tegenboeking klopt de balans niet. Maar duurzame financiering werkt nu met een enkelvoudige boekhouding: we boeken wat erbij komt en laten de tegenboeking leeg.

Hein Brekelmans, advocacy manager bij Triodos Bank.
Hein Brekelmans, advocacy manager bij Triodos Bank.

De groene helft

Dat ontbreekt niet toevallig, maar is de uitkomst van een politiek gevecht. Voorstellen om ook aantoonbaar schadelijke activiteiten in de taxonomie op te nemen, haalden het in 2019 niet in het Europees Parlement. Daarna werd de groene kant tot achter de komma uitgewerkt. Inmiddels wordt die ook alweer afgebouwd: de Europese bankentoezichthouder schrapte de taxonomiecijfers deze zomer uit de prudentiële rapportage. In het jaarverslag blijven ze staan. Aan de andere kant valt niets te vereenvoudigen, want daar is nooit iets opgebouwd.

Aan die groene kant heb ik zelf hard meegewerkt. Als bankier financierde ik onder meer een fabriek die schoonmaakmiddel maakt van sinaasappelschillen, maar ook zeilen voor vrachtschepen en een paar doodgewone windparken. Ik ontwikkelde financieringsproducten, sprak op congressen en juichte mee bij elke doorbraak. Het was nuttig werk. En er stond altijd een fotograaf klaar.

Wat ontbrak, was een doelstelling voor minder vervuilende financiering. Ooit had de afdeling waar ik werkte €25 mln gereserveerd voor jonge, risicovolle duurzame bedrijven. In vier jaar tijd slaagden we er met moeite in om 80 procent daarvan uit te zetten: kleine tickets, magere zekerheden, veel werk per euro. Elke aanvraag moest langs een kredietcommissie en twee fiatteurs. In dezelfde periode ging een veelvoud van dat bedrag zonder veel moeite naar offshore olieproductie: bekende namen, voorspelbare kasstromen, harde zekerheden. Beide bedragen stonden in dezelfde boeken. Alleen het eerste haalde het duurzaamheidsverslag. Niemand vond dat vreemd. En niemand heeft mij ooit gevraagd om dat tweede bedrag omlaag te brengen.

Zo is het vak ingericht. Aan een windpark of een boorplatform valt te verdienen: uitzetting, rente, looptijd, groei. Aan een raffinaderij die niet wordt gebouwd of olie die in de grond blijft, verdient niemand iets. Er bestaat geen verdienmodel voor stoppen.

Wat niet telt

Nu zal menig lezer denken: we rapporteren toch gefinancierde emissies, de uitstoot die wordt toegerekend aan de activiteiten die een bank financiert? Dat klopt. Maar kijk naar wat er dan wordt gemeten. Offshore olie komt tegenwoordig grotendeels uit drijvende fabrieksschepen. Vijftien banken financierden een van de grootste met $1,75 mrd. Het schip is van een scheepseigenaar; de olie is van de producent die het schip huurt. De banken lenen aan de scheepseigenaar. Daardoor telt de bank de uitstoot van het schip mee, maar niet per se de uitstoot die samenhangt met de kwart miljoen vaten die datzelfde schip dagelijks oppompt.

Niemand pleegt hier fraude. Elke stap volgt de regels. Maar het betekent wel dat een bank haar gerapporteerde gefinancierde emissies kan verlagen door aan het schip te lenen in plaats van aan de olieproducent. Zelfde velden, zelfde vaten, lager cijfer.

En juist daar zit het probleem: we hebben wel een maatstaf voor de emissies die aan een financiering worden toegerekend, maar geen vergelijkbare maatstaf voor de vraag of de onderliggende schadelijke activiteit echt wordt afgebouwd. De tegenboeking die dat zou corrigeren, bestaat niet.

Wat eraf moet, telt niemand.

Dat is niet alleen een probleem van rapportage. Afbouw is echt lastig: er zitten banen aan vast, leveringszekerheid en regio’s met één werkgever. Juist daarom wil je dit plannen. En plannen kan alleen met wat je meet. Gebeurt dat niet, dan komt de afbouw er toch, als afboeking in plaats van als beleid.

De tegenboeking

Het alternatief is een tegenboeking. Laat banken naast de green asset ratio publiceren welke schadelijke uitzettingen zijn beëindigd in drie categorieën: afgelost en niet elders voortgezet, afgelost maar elders geherfinancierd, en doorverkocht. Alleen de eerste is afbouw. De andere twee verlagen je eigen cijfer, niet de uitstoot. Juist daarom moeten ze zichtbaar zijn.

De meetlat moet daarom de activiteit volgen, niet de juridische huls waarin die toevallig zit. Het schip is niet iets anders dan de olie. Zolang dezelfde olie wordt opgepompt, is een andere financier geen afbouw. Datzelfde principe geldt buiten de bank. Laat bedrijven naast nieuwe omzet ook rapporteren welke omzet ze bewust hebben opgegeven. Een uitstapdatum in 2040 is een voornemen; opgegeven omzet is een cijfer.

Dat is niet ingewikkeld en niet duur. Het is alleen ongemakkelijk, omdat het cijfer nu nog bij vrijwel iedereen dicht bij nul zal liggen. Precies dat is de informatie die ontbreekt.”